De hospitalisering van het sociale domein

Veel kwetsbare mensen geven aan dat ze een gewoon leven willen, buiten de wereld van GGZ en andere hulpverleners. Door de invoering van het ‘Werken in de wijk’ is dit moeilijk geworden. 

Het participerende effect van ‘werken in de wijk’ is afhankelijk van de beleving van cliënten. Ondanks de voordelen van hulp aan huis, blijkt er ook een toegenomen gevoel van afhankelijkheid en zelfs schaamte.

Wanneer iemand naar een medisch centrum of instelling gaat om de benodigde zorg te krijgen, is dit niet zichtbaar. De buren zien alleen dat je weg bent, maar weten niet waarom. Wanneer er hulpverleners aan de deur komen is dat anders. Het is niet ongebruikelijk dat er wekelijks meer dan 15 verschillende hulpverleners bij iemand aan huis komen. Bang voor vooroordelen kunnen mensen zich hier voor schamen. “Wat zullen de buren daar wel niet van denken?”

Deels is dit afhankelijk van leeftijd en aandoening. De rolstoelgebruiker die thuiszorg krijgt, zal dat minder stigmatiserend vinden dan de wijkbewoonster waar GGZ en schuldhulpverlening letterlijk in beeld komen staan. Laat staan wanneer iemand met verward gedrag door de politie wordt opgehaald. 

In elke professional-cliëntrelatie is sprake van afhankelijkheid, ook wanneer professionals werken vanuit kernbegrippen als ‘de cliënt centraal’ en zelfregie. Het principe blijft dat de een de hulp geeft waar de ander van afhankelijk is.  

Wanneer je in je eigen huis afhankelijk bent van professionals ben je op dat moment cliënt. De rol van bewoner verdwijnt naar de achtergrond. 

Naast deze twee potentieel hospitaliserende ontwikkelingen, strekt de lange arm van professionals strekt zich nog verder uit. Ook voor participatie en sociale contacten zijn mensen steeds vaker afhankelijk. Om de eenzaamheid te bestrijden, zijn participatiemedewerkers ingesteld en verwijst ‘Welzijn-op-recept’ door naar lokale welzijnsarrangementen[1]. Bovendien bieden GGZ-organisaties hun ervaringsdeskundigen aan, vrijwilligersorganisaties bieden maatjes en de Zonnebloem uitstapjes. Allemaal nuttig en zeker goed bedoeld. Eén belangrijk onderdeel blijft in dit grote aanbod echter buiten beeld: het gewone contact met de buren. 

Meer bewoner, minder cliënt 

Soms bestaat iemands hele netwerk uit hulpverleners en vrijwilligers. Dit contact kan heel goed zijn en voor de bewoner aanvoelen als vriendschap. Het blijft echter gebaseerd op professionele of hulpverlenende betrokkenheid. Bij mantelzorg en informele zorg zijn die grenzen niet duidelijk. Een kopje koffie drinken bij de buren kan gewoon gezellig zijn, maar als je het als ‘maatje’ doet, heet het informele zorg. Als dat maatje via een instelling komt, met de opdracht om participerende activiteiten te gaan doen krijgt ook dit contact meer kenmerken van een zorg-relatie. Dit werkt door in de manier waarop mensen naar hun omgeving kijken. Toen ik tijdens een herstelgerichte inloopactiviteit een vrouw vroeg naar haar vrienden en familie, antwoorde ze: “jullie zijn mijn sociale netwerk”. 

De werkwijze ‘Samen met de Buur’ maakt voor sociale contacten een indeling gebaseerd op de mate van georganiseerdheid en professionlalisering. 

Voorbeeld: Een vrouw was heel duidelijk in haar hulpvraag: “ik wil een vriendin, die iedere week koffie komt drinken”. Dat bleek moeilijker dan gedacht. De vrijwilligersorganisatie kan maatjes regelen, maar die mochten maximaal een half jaar blijven. Spontane contacten maken in de veilige omgeving van het buurthuis lukte niet, omdat daar alleen veel oudere bezoekers kwamen. Op de uitstapjes die door een vrijwilligersorganisatie georganiseerd werden, kwamen steeds andere mensen af. Uiteindelijk kon ze wekelijks koffie gaan drinken bij vrienden van haar moeder, die nog in dezelfde wijk woonden. 

Toen ik aan een participatiemedewerkster uitlegde dat deze mevrouw ‘gewoon een vriendin wilde’, werd dit direct uitgelegd als ‘mevrouw wil dat naar haar positieve kanten gekeken worden’. Vanuit deze bril wordt tegenwoordig veel gewerkt, maar in het klopt niet. Een vriend is pas een vriend als je goed en slechte dingen kan delen. In een goede vriendschap kan je elkaar de waarheid vertellen, ook als die negatief is. 

Ander voorbeeld: Tijdens burendag stonden we in Amstedam West bij Buurtkamer de Bestevaêr. Alle mensen die langsliepen werden uitgenodigd voor koffie en een praatje. De openingszin “het is Burendag. Krijgt U wel eens hulp van uw buren” bleek een goede binnenkomer om te praten over de over en weer geleverde zorg. Tegen onze verwachting in, hadden vrijwel alle bewoners dit soort contact. In portieken was het bijvoorbeeld gebruikelijk om boodschappen voor elkaar te doen of restjes eten en de krant door te geven. Andere bewoners hielpen iemand concreet of waren beschikbaar zodra er een hulpvraag was. Alleen jonge mensen die geen directe band met de buurt hadden, waren minder betrokken. 

Buurtkamer de Bestevaêr is erg actief in het verbinden van mensen. Door buurtbewoners wordt wekelijks een maaltijd georganiseerd, waar in de loop der jaren steeds meer mensen met een verstandelijke beperking aan deelnemen. Met hen is inmiddels zo’n goed contact opgebouwd, dat er soms meer informatie gedeeld wordt tussen de buurtbewoners onderling dan met de hulpverleners van deze mensen. 

Het is mogelijk om kwetsbare bewoners te verbinden aan buurtgenoten die hen waarderen en kunnen ondersteunen. Dit gaat zeker in kwetsbare wijken echter niet vanzelf. Er is een kwartiermaker nodig. Een procesbegeleider die weet wat de sleutelfiguren in de wijk zijn.

Deze werkwijze is getest en beschreven binnen het project ‘Leren en Participeren in de Community’. De eerste resultaten worden momenteel in Buurtkamer de Bestevaêr uitgeprobeerd  op een groep nieuw geworven bezoekers. Ondertussen is de voorlopige handreiking van de werkwijze al beschikbaar. ‘Samen met de Buur’ bevat uitleg met veel concrete voorbeelden en tips. 

Nog een voorbeeld. Deze gaat over een iets andere insteek, namelijk kwartiermaken. Ik vind het zo belangrijk dat ik het toch noem: 

Door het verplichte plaatsingsbeleid worden in de kwetsbare wijken mensen geplaatst via instellingen die ambulante begeleiding aanbieden. Hierbij worden goede afspraken gemaakt. De beheerder van de woningcorporatie weet waar deze mensen wonen, de wijkagent houdt een extra oogje in het zeil en de instelling zorgt voor begeleiding. Toch gaat dit regelmatig verkeerd. Onlangs sprak ik een vrouw in een flat waar veel overlast is. Haar buurman was geplaatst door een instelling voor Maatschappelijke Opvang. Hij veroorzaakte zelf overlast, maar had die ook. Deze man belde regelmatig de politie omdat zijn buurvrouw op de muur stond te bonken. De buurvrouw is een sociale vrouw, die meerdere flatgenoten steun biedt. Ze ontkende de beschuldigingen. Alles bij elkaar genomen leidde er toe dat de man opnieuw gedwongen moest verhuizen. Ik vertelde de buurvrouw dat ik haar geloofde dat ze niet op de muren bonkt, maar dat de situatie me niet helemaal duidelijk was. Ik vroeg haar: “Heeft u weleens gehoord van mensen die dingen zien of horen die er niet zijn?” Ze was even stil en ik zag het kwartje bijna vallen. “Ja” zei ze. “Dat heeft een naam, toch?” Dit kleine beetje uitleg zorgde direct voor meer begrip. Het was duidelijk dat al die tijd niemand van alle professionals een gesprek had gevoerd met de buurvrouw. De kans is groot dat dit begrip had kunnen zorgen voor het tolereren van dit ‘gekke gedrag’ van haar buurman. Met een beetje aandacht voor het contact tussen de buurman en de buurvrouw, had er misschien zelfs een vorm van langdurige informele zorg kunnen ontstaan. 


[1] Movisie, Methodebeschrijving Welzijn op Recept